Door Josiane Tytens in Kerkbrief, Gent Centrum.
Pas 50 jaar nadat de Doopsgezinde Broederschap de eerste vrouw in het ambt had beroepen (Ann Zernike) besloot de Nederlandse Hervormde Kerk vrouwen toe te laten tot het ambt. Bij aanvang ging het om een ‘noodoplossing’, er was immers een besluit dat de synode een vrouw mocht beroepen in noodgevallen én als er geen man beschikbaar was. En deze situatie deed zich voor ….
Ietske Jansen werd op 19 januari 1922 geboren in Amsterdam in een gezin met hervormde, liberale (vaderskant) en niet-kerkelijke achtergrond (moederskant). Naast Ietske was er nog een dochter: Doortje. Toen Ietske nog maar 3 jaar was, stierven haar ouders met 6 weken tussentijd en werden de zusjes opgevoed door hun grootvader en enkele ongehuwde tantes van vaderskant. De ene tante was lerares Frans en gaf ook cursussen literatuur aan huis, twee andere tantes runden een diakonie-weeshuis en een bejaardentehuis. Ietske en Doortje groeiden dus op te midden van zelfstandige vrouwen.
In Amsterdam bezocht Ietske de christelijke lagere school en aansluitend het gemeentelijk lyceum voor meisjes. Tijdens haar puberteit stond ze erg kritisch tegenover het geloof. Doortje had meer het gevoel dat ze moest getuigen van haar geloof en daarom wilde ze theologie studeren. Ietske: ‘hoe kan je nou zoiets stompzinnig, stoffigs oninteressants als theologie gaan studeren’? In de vereniging Meisjes Zomer Clubs werd er geluisterd naar haar kritische, maar niet veroordelende opmerkingen. Daardoor groeide ook Ietske steeds meer richting geloof en werd lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. In eerste instantie wilde ze geoloog worden.
Ze startte deze studie in Utrecht en werd er lid van een christelijke studenten-verening. ‘Het ging kriebelen’ om theologie te gaan studeren ‘maar ik wilde niet. Ik heb me nog jaren verzet, maar tenslotte toegegeven. Ja, noem het roeping.’ Na anderhalf jaar besloot ze toch voor theologie te kiezen. Met haar HBS-diploma moest zij eerst een staatsexamen doen voor de vakken Grieks en Latijn. In de oorlogsperiode dook ze onder (ze raakte té betrokken bij het verzet en de hulp aan Joden) en in deze tijd bereidde ze zich voor op het staatsexamen. Dat laatste deed ze eind 1945 en ze begon haar studie theologie in Utrecht in januari 1946.
Er waren toen 7 vrouwelijke studenten voor de Godgeleerdheid tegenover ongeveer 300 mannelijke. Niet alle professoren waren opgetogen over vrouwelijke studenten! Vaak startten de docenten hun colleges met de openingswoorden ‘morgen heren!’. Ietske legde niet de focus op het ambt van predikant maar nam toch deel aan het betreffende seminarie (de na de oorlog door de synode ingevoerde theologische opleiding tot predikant). Na haar studies kreeg zij de vraag om als leidster voor het meisjeswerk bij de Algemene Maatschappij voor Jongeren (AMVJ) in Amsterdam te werken. Daar zette zij gespreksgroepen op en was er gastvrouw op congressen. Deze taak oefende zij ook een jaar uit in Zweden (voor dezelfde organisatie).
Ze startte promotieonderzoek (doctoraat) in de theologie en werd medestaflid van het Vormingscentrum De Haaf, dat na de Tweede wereldoorlog opgezet was door de Nederlandse Hervormde Kerk om gemeenteleden en allerlei beroepsgroepen beter toe te rusten voor hun werk in de maatschappij. Het educatieve werk met groepen en de intense contacten tijdens het lesgeven deden haar groeien naar de taak van predikant.
Ietske werd aangenomen in een tijdelijke functie als hulppredikant in de vrijzinnige protestantse gemeente Retranchement in Zeeuws-Vlaanderen. In deze functie moest ze de hulp inroepen van een mannelijke collega voor de bediening van de sacramenten. Daarna stond ze een revaliderende predikant bij in Krommenie. Deze predikant verzocht haar het predikantschap van De Zeevang (een gebied met 7 dorpen tussen Hoorn, Purmerend en Edam in Noord-Holland) op zich te nemen. De gemeente was toen al 3 jaar vacant. Deze noodsituatie werd bij de synode aanhangig gemaakt en op basis van het besluit werd Ietske Jansen in 1959 in de gemeente De Zeevang benoemd tot predikant. Zij zag zichzelf niet als ‘eerste vrouw in het ambt’, net omdat er nog beperkende maatregelen waren (die pas in 1967 werden opgeheven). Er was veel belangstelling van de pers en Het Parool schreef ‘Een sympathieke jonge vrouw in een toga die haar niet misstond’.
Ietske deed veel pastoraal werk, gaf catechese op school en in de kerk en zette een bibliotheek op. Voor elke rouwdienst bezocht ze de familie om een passend portret van de overledene te kunnen schetsen tijdens de dienst (400 rouwdiensten in de 13 jaar dat ze gemeentepredikant was). Ze leert er ook haar partner kennen, de emerituspredikant en weduwnaar Hans Theesing. Na de dood van zijn vrouw (die onkerkelijk was) begon hij weer te kerken, maar hij had altijd kritiek op Ietske’s preken. Ze spraken af om samen vooraf de preek door te nemen. De innige band werd steeds sterker en ze gingen samenwonen, wat voor de ruimdenkende gemeenteleden geen probleem vormde.
In 1981 sterft Hans Theesing op 91-jarige leeftijd. Ietske zette haar doctoraatsstudie in Amsterdam verder. Zij koos als thema ‘De Gemeente’, maar promoveerde nooit! In 1986 legde ze haar ambt neer. In 1999 verhuisde ze naar Driebergen en werd er lid van de PKN (Protestantse Kerk Nederland). Zij begeleidde er een leeskring en maakte deel uit van een studiegroep. In een interview in 2003 gaf zij als de zin van haar leven aan ‘die momenten dat ik gevolg heb gegeven aan wat als inspiratie van boven duidelijk was geworden. Dat was: het theologie gaan studeren, het gaan samenwonen met mijn partner en het aangaan van een diep en langdurig pastoraal contact’.
Ietske Jansen koos niet bewust voor het predikantschap. Het leek haar eerder overkomen te zijn. Ze heeft het geloof als een roeping ervaren en werd steeds opnieuw voor nieuwe functies gevraagd. In een interview in het Nederlands Dagblad, dat als titel kreeg ‘Nooit op de barricades’, verklaarde ze. ‘Al mijn werkzaamheden zijn steeds op mijn weg gekomen. Ik heb er nooit voor gestreden. Het kwam op mij toe en ik ervoer dat als van bovenaf geregeld’. Ze voelde zich niet ingeperkt door mannelijke collega’s, hoewel sommigen zich negatief uitlieten over vrouwen op de kansel. Zij vond vanuit haar ervaring ‘dat vrouwen het best pastoraat aan vrouwen kunnen doen en mannen het best aan mannen; zij verstaan elkaar het beste’. Ze heeft zelf niet geijverd voor de toelating van vrouwen tot het ambt. Volgens haar is dit geen Bijbels verbod of gebod, het is in wezen een kwestie van culturele tradities.
Foto’s uit persoonlijk boek ‘Honderd jaar vrouwen op de kansel’